Een ode aan de jongen die kleur aan het leven geeft

Een doodgewone vroege zondagmorgen. Ik liep met mijn hond richting het benzinepompje in ons in het dorp om een nieuw pakje zuurstof te halen. Het is vaste prik op de zondag- morgen. Deze morgen was het koud en onbewolkt. Ogenschijnlijk was er geen vuiltje aan de lucht en zou het een zondag worden zoals iedere andere. Ogenschijnlijk, want ik kwam iets tegen wat de zondag zou doen veranderen. Ik kwam een abri tegen. Op zich niet heel bijzonder ik had dat ding meerdere keren gezien alleen nu was het anders dan anders.

De abri, die elke twintig seconden een andere reclame liet zien, liet nu Rupert zien. Mijn Rupert stond gewoon ordinair reclame te maken voor een scholen- gemeenschap. Op de vroege zondagmorgen. Hij stond daar echt samen met een meisje en jongen. Rupert die stond er met zo’n gereformeerde kutgrijns en zo’n houding ‘ik vind school wel heel leerzaam en bovendien erg maar dan ook erg leuk’ Als je Rupert kent weet je wel beter. Als je zou weten wie en waar Rupert voor staat in het leven dan vind je die scholenreclamecampagne meteen ongeloofwaardig. Rupert is namelijk ongeschoold. En heeft het toch tot model geschopt. En dat laatste stemde me wel een beetje vrolijk. Mijn Rupert die ondanks het jetsetleven wat zijn werk met zich meebrengt, zo ogenschijnlijk lekker gewoon is gebleven. Of nou ja, hij doet zijn uiterste best.

Want de spiegel mag dan zijn beste vriend zijn en ook al verplaatst hij zich op een zeventien jaar oude blauwe Tomos, het is een lieve jongen. Ook al beweren boze tongen dat hij iedere zaterdagmiddag zijn kunstgras grasmat in zijn tuin stofzuigt en hij wil ook nog weleens in het holst van de nacht ongevraagd bij mij aanbellen omdat hij nog licht zag branden, het blijft een lieve jongen. Voor de rest valt er bijna geen onvertogen woord over hem te zeggen. Rupert is Rupert. Er mankeert niet zoveel aan. Nee, ogenschijnlijk is het een doodgewone jongen die bovenal zo lekker gewoon is gebleven. Er kleeft weinig negatiefs aan hem. O ja, hij is knap en model.

Dat knap zijn, vindt hij vooral zelf. Dat blijkt als hij de telefoon aanneemt. Steevast neemt Rupert op met: “Met Rupert, de knapste jongen van het dorp en omstreken”. Over het knap zijn van het fenomeen Rupert lopen de meningen sterk uiteen, maar laat ik het zo zeggen: Rupert hoeft geen hond te nemen in de hoop dat hij erop gaat lijken. Een groter contrast met mij is er niet. Sinds ik een hond heb en met hem over straat loop krijg ik ook weleens complimenten van vrouwen als: “Oh wat een knapperd”, of “Wat een lieverd”. Enkele seconden krijg ik het idee dat ze het tegen mij hebben maar al snel komt het besef: kut, ik heb mijn hond bij me. Rupert heeft geen hond nodig. Rupert is al knap van zichzelf.

Rupert heb ik jaren geleden echt leren kennen tijdens een hockeyfeest op onze hockeyvereniging. Meteen bij binnenkomst viel hij direct op. Nonchalant hing hij aan de bar met in zijn ene hand een biertje en in de andere een Marlboro light en omringd door hockeymeisjes een beetje knap te wezen. Hij had zich voorgenomen deze avond niet alleen weer naar huis te gaan en het hart van tenminste een van deze meisjes te veroveren. Al was het dan maar voor een nacht. Belangrijk detail: Rupert blinkt niet echt uit met openingszinnen. Zelden zulke slechte openingszinnen gehoord dan die van Rupert, die bovendien gepaard gaan met een hoop schatergelach van Rupert zelf. Toen zijn schatergelach de boventoon ging voeren en de hockeymeisjes een voor een, sommige een beetje teleurgesteld andere enorm opgelucht, afdropen wist ik zeker dat Rupert zijn slechte openingszinnen weer van stal aan het halen was.

Op een gegeven stond hij daar helemaal alleen aan de bar. Het was een triest gezicht: mooie Rupert in zijn eentje aan de bar met een halfleeg glas een beetje de schijn op te houden. Hij keek een beetje beteuterd en zielloos rond. Toen hij mij zag begon hij stom te lachen. Ik lachte stom terug en greep deze mogelijkheid aan. Ik liep op hem toe gaf hem een schouderklopje en zei: “We kunnen niet allemaal een Swaffie zijn”. Voor de lezer die niet bekend is met het fenomeen Swaffie: Swaffie is een oud lid met uitsluitend succesvolle openingszinnen. Die nacht hebben we zijn verdriet weggezopen en geouwehoerd. Ik over het leven, Rupert over zijn Tomos.

Sinds die nacht mag ik Rupert tot mijn vriendenkring rekenen, al zie ik hem te weinig om echt van een goede vriendschapsband te spreken. Die spaarzame ontmoetingen zijn onbetaalbaar. De ontmoetingen met Rupert zijn altijd goed. Als we elkaar zien, of het nou op de vereniging is of in een kroeg, of bij mij thuis omdat ik het licht te lang heb laten branden, moeten we altijd een paar minuten lachen. Altijd! Daarna volgt een omhelzing en de nodige biertjes en het slap geouwehoer met een hoop schatergelach. Voornamelijk van Rupert want als er iemand makkelijk lacht is het Rupert wel. De nachten met Rupert duren altijd lang en uiteindelijk worden we in de vroege morgen de kroeg uitgedweild.

Rupert is uniek in zijn soort. Hij heeft iets. Het is moeilijk om het te omschrijven wat het precies is maar het komt erop neer dat hij iets troostend in zich heeft. Troostend in de zin van dat je soms denkt: met mij gaat het kut, maar het kan erger. En dat maakt hem ook zo aandoenlijk. Hij doet op zich niemand kwaad hij is gewoon lekker zichzelf.

*de naam Rupert is uit privacyoverwegingen gefingeerd. Zijn echte naam is bij de schrijver bekend.